Vinken voor veilig verkeer
In de avondspits van donderdagavond 16 mei zullen in vrijwel honderd gemeenten burgers op straat aan het vinken slaan. Ze tellen manueel de weggebruikers in hun straat, de tractoren, vrachtwagens, bestelwagens, motorfietsen en fietsers maar ook de voetgangers en stepgebruikers. Met de jaarlijkse telactie en een bijhorende vragenlijst brengt het project Straatvinken de verkeersveiligheid en de leefbaarheid van straten in Vlaanderen in kaart. Inwoners, onderzoekers en beleidsverantwoordelijken in steden en gemeenten krijgen zo een fijnmazig beeld van de mobiliteit en leefbaarheid in straten. De data geven ook een antwoord op de vraag of de auto nu meer aan de kant wordt gezet dan vroeger. Straatvinken monitort de modal split, de wijze waarop mensen zich verplaatsen, maar ook de modal shift of er een kentering is in de verkeersmobiliteit en vooral wat dat doet met de leefbaarheid en het geluksgevoel van bewoners in Vlaanderen.
Gouden tellers, zo noemt Sven Augusteyns, wetenschapscommunicator van het project Straatvinken, de bewoners die van bij de start van het project in 2017 mee telden en die zeven jaar later nog steeds trouw vinkjes zetten. En waar de eerste straatvinkers vooral in Antwerpen aan de slag gingen, is nu heel Vlaanderen betrokken.
Modal shift
Wie stapt of rijdt door onze straten, dat zullen jullie op 16 mei in de avondspits opnieuw gaan meten?
Sven Augusteyns: ‘Klopt, bewoners, scholen en organisatie zullen in een groot aantal straten en straatsegmenten het aantal bewegingen van auto’s, bussen, fietsen en wandelaars afvinken. De zevende editie zal ons opnieuw een duidelijk beeld geven van de mobiliteitsmix, de modal split, en de verkeersleefbaarheid in Vlaanderen. Met ons verwijs ik naar de Ringland Academie, de U Antwerpen en HIVA – KU Leuven, de initiatiefnemers van het project. Straatvinken is als burgerwetenschapsproject gestart vanuit het Toekomstverbond, een akkoord dat de Vlaamse overheid, de stad Antwerpen en de burgerbewegingen in 2017 sloten over de mobiliteit en leefbaarheid in de Antwerpse regio. Een belangrijk engagement in dat akkoord was de omslag naar een nieuwe mobiliteitsmix. Concreet is het streefdoel om in 2030 naar een reductie van het autovervoer te gaan van 70 naar maximaal 50 % en naar een toename van duurzame mobiliteit zoals openbaar vervoer, voetgangers en fietsers van 30 naar minstens 50 %. Zo’n modal shift, een wijziging van het verkeer, is ambitieus maar niet onhaalbaar. De Vlaamse regering heeft die doelstellingen trouwens ook onderschreven, voor heel Vlaanderen mikt men in de toekomst op een streefcijfer van 40% duurzame vervoersmiddelen.’
Bevestigen de resultaten van het straatvinken dat er een omslag is ingezet?
Sven Augusteyns: ‘In de regio Antwerpen constateren we dat er in dezelfde straten over de jaren heen wel degelijk een substantiële daling is van het autoverkeer. De drukte daalt en het aantal auto’s daalt in deze specifieke straten. De modal shift evolueert in de juiste richting, zoveel kunnen we zeker zeggen. Gaat ze achteruit of te traag, dat zullen de data in de toekomst uitwijzen. Wat we in ieder geval zien is dat de modal shift zich in de Antwerpse regio als een lopend vuurtje vanuit de binnenstad naar de randgemeenten verplaatst, in die zin zijn de resultaten telkens iets beter.’
Niet over één nacht ijs
Zijn die resultaten ook het startpunt van verkeersaanpassingen?
Sven Augusteyns: ‘Mobiliteit is vaak een onderwerp waar burgers of beleidsmensen nogal snel voor of tegen zijn. Wij benadrukken de dialoog. Ons finale doel is om aan fact finding te doen, om objectieve data te verzamelen die de discussie objectiveren. Zo kan je de ruis elimineren en de kracht van de data laten spreken. Dat is ons handelsmerk en uiteraard ook het gevolg van onze samenwerking met de universiteiten die niet over een nacht ijs gaan. We willen vooral inzichten verschaffen en de dialoog stimuleren tussen beleidsmakers en burgers. Zo kunnen ze samen heikele punten aanpakken. Is er sprake van sluipverkeer? Ligt dat aan een nieuw mobiliteitsplan, kan dat plan anders ingevuld worden? Welke ingrepen verhogen de leefbaarheid in de straat? Kunnen we een en ander uittesten, qua straatbreedte bijvoorbeeld?’
Wat is het grote voordeel van Straatvinken ten opzichte van andere meetsystemen in Vlaanderen?
Sven Augusteyns: ‘Het grote voordeel van Straatvinken is dat je effectief op straatniveau kan meten, dat je heel fijnmazig te werk kan gaan. Bij globale metingen gaat het eerder om bevragingen op regio of buurtniveau, waarvan de resultaten dan geëxtrapoleerd worden. Wij kunnen in zeer specifieke straten het effect tonen van de mobiliteitskeuzes van bewoners en pendelaars. In die zin zijn we complementair aan andere tellocaties van bijvoorbeeld Telraam of de Vlaamse overheid. We werken samen en vergelijken onze teldata met de resultaten van deze andere verkeerstellingen om na te gaan of onze straatvinkers goed geteld hebben. Bovendien koppelen we onze metingen bewust aan een bevraging over de verkeersleefbaarheid.’
Geluk achter de gevels
Hoe zorg je voor een objectieve leefbaarheidsmeting?
Sven Augusteyns: ‘Ringland Academie ontwikkelde samen met HIVA – KU Leuven de leefbaarheidsmeting straat-O-sfeer. Op basis van indicatoren waarin verkeer, sociale aspecten, omgevingsfactoren en straatinrichting zijn opgenomen krijgt elke straat een verkeersleefbaarheidsscore en die scores zetten we om in een dashboard. Wat vind ik van mijn straat? Hoe beleef ik die? Waarom woon ik graag in deze straat en waarom niet? Die laatste vraag kan je de essentie van de bevraging noemen. We objectiveren dus de leefbaarheid en het geluksgevoel.’
Zijn er uit die bevraging tot nu toe verrassende conclusies gekomen?
Sven Augusteyns: ‘Wat in onze laatste bevraging opnieuw bevestigd is, is dat het geluksgevoel van de bewoners sterk samenhangt met het aandeel duurzaam verkeer in de straten. De correlatie is frappant, de curves volgen elkaar, het is vrijwel een 1 op 1 verhouding. Minder gemotoriseerd verkeer in hun straat maakt mensen effectief gelukkiger. 70% fietsers in een straat geeft 70% geluksgevoel. Zo zie je dat de modal shift voelbaar is voor de mensen thuis, afstraalt op het geluk achter de gevels van de straat.’
Achilleshiel
Jaar na jaar bewoners motiveren om te straatvinken is geen gemakkelijke opgave
Sven Augusteyns: ‘Bij de start van het project konden we beroep doen op het elan van burgerwetenschap en op de Ringland community. We hebben ook heel wat media-exposure gekregen in Gazet van Antwerpen en Het Nieuwsblad, dat heeft ontzettend geholpen. Je moet weten dat de helft van onze tellers telkens nieuwe mensen zijn. In die zin is het cruciaal dat steden en gemeenten en burgerbewegingen mee aan boord stappen om straatvinkers te mobiliseren. Een van onze werknemers belt en mailt systematisch elke schepen van mobiliteit in Vlaanderen om ons project te duiden en te wijzen op het belang van de inzichten die het project kan genereren. Vinken voor de aanleg van een straat en na de aanleg bijvoorbeeld is immens waardevol voor een gemeente. We werken binnenkort samen met het project De Oorzaak, zo willen we nu ook een geluidsmeting koppelen aan het meten van de verkeerssamenstelling.’
Wat hebben jullie op het vlak van burgerwetenschap na zeven edities opgestoken?
Sven Augusteyns: ‘Alles start natuurlijk met de tellers en de vrijwilligers. Zij zijn het sociaal kapitaal van een burgerwetenschapsproject en de grootste motor van succes. Vrijwilligers kunnen belangrijke expertise opbouwen, het is van belang om hen aan boord te houden. Communicatie is de sleutel om dat te doen, investeren in een website, een app, in een correcte visualisatie van de resultaten, het zijn essentiële bouwstenen van succes. En funding uiteraard, als er geen recurrente inkomsten zijn om op terug te vallen kan het voortbestaan van een project al gauw precair worden. We kregen onlangs een toelage van het Agentschap Mobiliteit en Openbare werken voor de ontwikkeling van onze website, dat geeft ons wat armslag. We proberen zo robuust mogelijk te zijn op dat vlak want funding blijft de achilleshiel van burgerwetenschap.’