COMPAIR: Innovatie in Luchtkwaliteit en Burgerwetenschap
De afgelopen drie jaar liepen in kader van het COMPAIR project diverse proefprojecten rond luchtkwaliteit in vier verschillende landen. Tom Callens, Jurgen Silence en Lieven Raes waren initiatiefnemers van het COMPAIR project bij Digitaal Vlaanderen, het agentschap dat de digitale transformatie van de overheid begeleidt. COMPAIR sloot eind 2024 af, dus Lieven, Jurgen en Tom zijn druk bezig met het naar buiten brengen van de informatie die in het project verzameld werd. Ze delen daarom ook graag hun citizen science ervaringen met Scivil.
Kunnen jullie jezelf en jullie rol in het project voorstellen?
Jurgen Silence: Ik ben projectmanager bij Digitaal Vlaanderen en werk al vijf jaar aan Europese Horizon 2020-projecten. Binnen COMPAIR was ik verantwoordelijk voor het projectmanagement en het opvolgen van de technische teams. Ik heb zelf ook bijgedragen aan de technische ontwikkelingen, met bijzondere aandacht voor de analyse technologieën en de gebruiksvriendelijkheid ervan (UI/UX).
Tom Callens: Ik was bij COMPAIR vooral betrokken bij data-analyse, maar ook bij de implementatie van de proefprojecten in Vlaanderen. Daarnaast hield ik me bezig met de participatie van burgers, leerlingen, leerkrachten en andere lokale actoren.
Lieven Raes: Ik was verantwoordelijk voor het onderzoeksvoorstel en het aansturen van het projectconsortium. Dat consortium bestond uit 15 Europese partners: zowel overheden, bedrijven, onderzoeksinstellingen als non-profitorganisaties. In Vlaanderen werden binnen COMPAIR vijf pilootprojecten opgezet in nauwe samenwerking met onze collega’s bij de Vlaamse Milieumaatschappij en Telraam.
Wat was het doel van het Compair-project?
Lieven Raes: COMPAIR was een Horizon 2020-project en maakte deel uit van een eerste reeks van 70 projecten die door de Europese Commissie werden geselecteerd in het kader van de Green Deal. Het project richtte zich op datagebaseerd beleid en het opwekken van vertrouwen in citizen science-data bij overheden en besturen.
Dat deden we door informatie over datastromen te standaardiseren en methodes voor kalibratie uit te werken. Daarnaast onderzochten we hoe citizen science-data konden worden gebruikt in smart city-projecten en hoe we de brede samenleving konden betrekken bij deze projecten.
Jurgen Silence: Het project heeft drie jaar gelopen. We zijn van start gegaan in COVID-hoogdagen, ik herinner me ons kick-off event in Gent nog alsof het gisteren was: we liepen er allemaal met mondmaskers rond en lieten alle aanwezigen een COVID-test afnemen.
Hoe werd het project georganiseerd en welke rol speelden de verschillende internationale partners?
Lieven Raes: Het project zette pilootprojecten op in vier verschillende landen: Bulgarije (Sofia en Plovdiv), Griekenland (Athene), Duitsland (Berlijn) en Vlaanderen. Elke regio had specifieke partners die verantwoordelijk waren voor de uitvoering van de projecten, gaande van grassroots organisaties tot overheidsinstellingen. Daarnaast werkten we samen met verschillende bedrijven en kennisinstellingen voor sensoren, technische ontwikkeling en communicatie. Het was heel belangrijk dat de verschillende pilootprojecten en internationale partners zouden samenwerken, zodat wat goed werkt in één regio succesvol kon overgenomen worden in andere landen.
Tom Callens: Vlaanderen deed dienst als proeflabo voor nieuwe lage kost luchtkwaliteitsensoren, zoals een mobiele fijnstofmeter, een roetmeter en een stikstofdioxidesensor. Deze sensoren werden na kalibratie en tests door VMM en VITO, ook in andere EU lidstaten ingezet, evenals een nieuwe slimme verkeerssensor.
Jurgen Silence: Het projectplan liet veel flexibiliteit toe om ad hoc samenwerkingen en meetcampagnes met burgers en lokale overheden op te zetten. Dat zorgde ervoor dat we snel konden inspelen op lokale noden. De pilootprojecten waren daardoor heel boeiend om op te zetten.
Sommige burgerwetenschappers waren echte local champions, die niet alleen data verzamelden, maar ook andere burgerwetenschappers enthousiasmeerden en ondersteunden, onderzoek en technische ontwikkeling deden, nieuwe partners bij het project brachten en analyses uitvoerden op de data.
Welke rol speelden burgerwetenschappers in het project?
Tom Callens: Afhankelijk van het pilootproject hebben de burgerwetenschappers verschillende rollen opgenomen. Meestal maten ze luchtkwaliteit en verkeersdata, zowel met vaste sensoren thuis als met mobiele sensoren die ze onderweg met zich mee konden dragen. In verschillende proefprojecten namen enkele burgerwetenschappers ook een veel grotere rol op. Het waren echte local champions, die niet alleen data verzamelden, maar ook andere burgerwetenschappers enthousiasmeerden en ondersteunden, onderzoek en technische ontwikkeling deden, nieuwe partners bij het project brachten en analyses uitvoerden op de data. Echt fantastisch dat ze met zo veel energie en enthousiasme bijdroegen aan de citizen science projecten in hun gemeente.
Lieven Raes: Het was ook mooi om te zien dat lokale besturen open stonden voor de inbreng van de burgerwetenschappers. In Sint-Niklaas kaderden onze metingen in de implementatie van een nieuw circulatieplan, ter voorbereiding van de aanleg van tuinstraten. Een aantal van de burgerwetenschappers vonden dat hun straat benadeeld werd in dat nieuwe circulatieplan en zijn aan de slag gegaan met de Telraam data om een alternatief plan voor te stellen. Het stadsbestuur zag dat plan als een evenwaardig alternatief en is daar dan mee verder gegaan.
Tom Callens: We organiseerden regelmatig datacafés. Daar konden we ondersteuning bieden aan burgerwetenschappers om data te interpreteren, maar daar ontstond bovendien een dialoog tussen burgers, beleid en andere actoren.
Jurgen Silence: Burgers hebben ons ook enorm geholpen door sensoren en applicaties te testen en zo mee op punt te stellen. Dit gebeurde niet alleen in Vlaanderen, maar ook in de andere pilootsteden. Het enthousiasme van fietsers, schoolkinderen, leraars, deelnemers aan demo-events (zoals het Velocity congres), vrijwilligers en experten werkte aanstekelijk. Hun feedback was een grote meerwaarde voor het optimaliseren van onze technologieën. Samen ontwikkelden we vier ondersteunende tools; een beleidsadviserend dashboard (PMD) een augmented reality app die live informatie toont over verkeer en luchtkwaliteit (DEVA voor Android en voor iOS), een dashboard om mobiele luchtkwaliteitsmetingen te visualiseren/analyseren (DEV-D) en een CO2-voetafdruk meter die meteen ook persoonlijk advies geeft.
Het project heeft aangetoond dat de combinatie van low-cost sensoren en toegankelijke platformen met gemotiveerde burgers erg veel teweeg kan brengen.
Wat waren de grootste uitdagingen tijdens het project?
Lieven Raes: Een van de grootste uitdagingen was tijd. Omdat we heel lokaal en vraaggestuurd werkten, moesten we rekening houden met de kalenders van alle betrokken lokale actoren. Als je gaat meten in een schoolstraat (zoals in Herzele), dan moet je ook rekening houden met schoolvakanties. We wilden ook meten in Gentbrugge, maar de invoering van het mobiliteitsplan daar liep sterke vertraging op, waardoor de effecten van de maatregelen pas konden meten toen COMPAIR bijna aan het afronden was. Ondertussen was het jammer genoeg te laat om de resultaten van die meetcampagne nog te vergelijken met die van andere pilootprojecten.
Jurgen Silence: Ook niet te vergeten: door de Corona epidemie waren er wereldwijde tekorten van computerchips. Die tekorten zorgden ook voor vertragingen in de productie van de sensoren die wij nodig hadden voor het project. Het feit dat we gelijktijdig allerlei sensoren wilden uitrollen die verschillende zaken moesten meten, vormde ook een uitdaging. We hadden er geen rekening mee gehouden dat er veel tijd nodig is om luchtkwaliteitssensoren te kalibreren zodat we omgevingsomstandigheden uit de data kunnen filteren. Telraam sensoren tellen verkeer en zij hebben die kallibratietijd dan niet nodig. Als je ze allebei tegelijkertijd wil gaan gebruiken, kan je de ene dus meteen inzetten, maar met de andere kan je nog niet meteen data verzamelen. Voor onze collega’s bij VMM was dat natuurlijk geen nieuws, maar voor ons was dat een verrassing.
Tom Callens: Er zijn ook grote verschillen tussen de verschillende regio’s die betrokken waren in het project. In Bulgarije was het mobiel netwerk (Internet of Things) dat we in Vlaanderen gebruiken voor datatransmissie van de sensoren bijvoorbeeld niet beschikbaar.
Op welke realisaties zijn jullie het meest trots?
Lieven Raes: Ik ben heel trots dat de pilootprojecten zo succesvol waren en lokale impact konden creëren. Bovendien zijn sommige proefprojecten erin geslaagd om doelgroepen te engageren die typisch niet met citizen science in aanraking komen. In Sofia slaagden we erin om luchtkwaliteit te meten bij de Roma-gemeenschap, en in Griekenland werkten we met ouderen in Atheense volksbuurten.
Tom Callens: We hebben lokale besturen laten ervaren dat citizen science data effectief kunnen worden ingezet bij beleidsvorming, als onderdeel van een participatief traject. Het educatieve luik was ook een groot succes. In sommige proefprojecten werkten we samen met scholen en het was heel fijn om met leerlingen te werken en om samen met hen voor de schoolpoort impact te genereren. In Sofia hebben ze in navolging van onze metingen een schoolbusdienst opgezet en plant het stadsbestuur nu ook te experimenteren met het concept schoolstraat.
Jurgen Silence: Het project heeft aangetoond dat de combinatie van low-cost sensoren en toegankelijke platformen met gemotiveerde burgers erg veel teweeg kan brengen. Ondanks de geografische spreiding en de grote lokale verschillen, heeft elke deelnemende lidstaat er succesvolle pilootprojecten opzitten. Het was een zeer vruchtbare, leerrijke en aangename samenwerking.
Wat zijn de volgende stappen nu het project is afgelopen?
Lieven Raes: We delen onze methodologieën en data op open platformen zoals Zenodo en hebben een Massive Open Online Course gelanceerd. Vanwege het grote succes, zijn we samen met VMM enkele realisaties aan het verlengen. Daarnaast zoeken we bij Digitaal Vlaanderen naar vervolgtrajecten rond citizen science en digital twins.