Waren patrijskinderen buitenbeentjes?
‘De Patrijzen’, het zou makkelijk de naam van een Vlaams vogeltelproject kunnen zijn, maar het gaat integendeel om een citizenscience-project op het snijvlak van de genetica en het stamboomonderzoek. Trekker van ‘De Patrijzen’ is Prof. Maarten Larmuseau, die aan het hoofd staat van het Labo voor Menselijke Genetische Genealogie aan de KU Leuven en een van de pioniers is in het domein van de burgerwetenschap. Met ‘De Patrijzen’ verwijst hij in zijn nieuwste project naar voorkinderen of patrijskinderen. In het Vlaanderen van de 19de eeuw kregen maar liefst één op vier moeders een kind voor hun huwelijk. Patrijskinderen kregen achteraf meestal de familienaam van de latere echtgenoot van de moeder. Of die man ook de biologische vader was, dat zal men nu met archief en DNA-onderzoek proberen te achterhalen in het project ‘De Patrijzen’.
Verwant of niet verwant
Met de term ‘patrijskind’ verwijzen jullie naar het Latijnse woord patris, ‘van de vader’, omdat het voorkind pas later in het leven de naam ‘van de vader’ kreeg?
Prof. Maarten Larmuseau: “Dat klopt, maar we verwijzen ook naar de IJ-klank die je hoort in het Y-chromosoom. Samen met mijn PhD-student Brecht Liefsoens werken we in dit project via Y-chromosomaal DNA dat van vader op zoon wordt overgeërfd. In essentie brengen we biologische verwantschap in kaart en speuren we naar de impact van biologische verwantschap op de maatschappij. We weten dat zo’n verwantschap raakt aan vier belangrijke aspecten, er zijn steeds juridische, sociale, emotionele en biologische gevolgen aan verwantschap. Daar zicht op krijgen behoort tot de kern van ons onderzoek. ‘De Patrijzen’ situeert zich dus als project op het kruispunt van genetica, geschiedenis en forensische wetenschappen.”
Blijkbaar waren patrijskinderen in de negentiende eeuw in Vlaanderen niet ongewoon?
Prof. Maarten Larmuseau: “Patrijskinderen zijn kinderen zonder vader in de geboorteakte die later wel 'erkend' en 'gewettigd' werden door een man. Meestal gebeurde de erkenning bij de trouw van de moeder. De echtgenoot werd dan de wettelijke vader. In negentiende-eeuwse Vlaamse steden kregen maar liefst één op vier moeders hun eerste kind voor hun huwelijk. In Leuven bijvoorbeeld werd er bij één op vijf huwelijken een patrijskind gewettigd. Dat zijn behoorlijke cijfers. Vroeger ging men er vaak van uit dat de nieuwe wettelijke vader vrijwel nooit de biologische vader was. En toch is het niet zo eenduidig, zo blijkt. Uiteraard waren er ongeplande zwangerschappen en stukgelopen relaties, maar ook koppels in een vaste relatie trouwden niet meteen. Soms ontbrak de ouderlijke toestemming of moest de man nog een tijd naar het leger.”
Verhalen ontrafelen
Jullie willen de knoop voor eens en altijd ontwarren en nagaan of de wettelijke vader ook de biologische vader was?
Prof. Maarten Larmuseau: “Inderdaad, voor het DNA-luik van ‘De Patrijzen’ selecteren we uiteindelijk zo’n 100 casussen voor een genetisch onderzoek. We werken via Y-chromosomaal DNA dat van vader op zoon nagenoeg onveranderd wordt overgeërfd. Zo kunnen we erg ver teruggaan in de tijd om verwantschap te bepalen. Ook wie geen patrijskind in zijn of haar stamboom heeft, kan uitgenodigd worden voor het genetisch onderzoek. Dat is één aspect, de al dan niet biologische verwantschap die we determineren. Maar dan is er ook de historische en sociologische context waar wij als wetenschappers in geïnteresseerd zijn. We vragen onze deelnemers om als detectives informatie in archieven en bronnen op te sporen. Waar woonde de moeder oorspronkelijk, waar woonde de vader? Waren deze adressen ver van elkaar? Hoe zag de geboorteakte eruit, wie waren de getuigen, waren het familieleden? Wat stond er in het parochieregister, wat schreef de priester naast de naam van het kind? Hoelang was de periode tussen de geboorte en de wettiging van het kind? Hoe verliep de relatie tussen patrijskinderen en hun wettelijke vaders? Ook evolutionaire gegevens zijn voor ons relevant: welke moeilijkheden ondervonden patrijskinderen, kregen ze minder levenskansen, hadden ze minder nakomelingen enz. Wat ons boeit is dat elk patrijskind zijn eigen verhaal heeft en dat het loont om dat complexe verhaal te ontrafelen.”
Wat ons boeit is dat elk patrijskind zijn eigen verhaal heeft en dat het loont om dat complexe verhaal te ontrafelen.
Kan het project op veel enthousiasme rekenen?
Prof. Maarten Larmuseau: “Absoluut! Wat ons daarbij vooral is opgevallen, is hoezeer het onderwerp nog in de taboesfeer ligt. Het gaat vaak om feiten van 100 jaar geleden en toch duiden deelnemers op het feit ‘dat het niet geweten mag zijn’ of willen ze zich verzekeren van volledige anonimiteit. Wat voor alle duidelijkheid in ons project zeker het geval is, onze data zijn zeer privacygevoelig en we bewaken ze streng. De jongere generaties zien minder graten in patrijskinderen of voorkinderen. Nu is het schering en inslag dat koppels pas officieel trouwen of niet trouwen als er kinderen zijn. We werken dus ook aan het vervagen van het stigma dat ooit op patrijskinderen lag.”
Jongeren motiveren
Bestaat het gevaar dat je met stamboomonderzoek steeds bij dezelfde burgers moet aankloppen, zij die al overtuigd zijn van de relevantie ervan?
Prof. Maarten Larmuseau: “Daar hebben we zeker oog voor. Doorwinterde genealogen kunnen nagaan of de patrijskinderen in hun stambomen biologisch verwant zijn met de wettigende vader of niet. Tot recent was het quasi onmogelijk om dat te weten te komen, maar dankzij ‘De Patrijzen’ ligt een antwoord toch binnen bereik. Maar ook voor al wie interesse heeft in zijn of haar familiegeschiedenis is het project een mooi startpunt. Met dit project willen we jonge mensen motiveren om hun stamboom op te stellen of hun familiegeschiedenis op te schrijven. Burgerwetenschap is een mooie sleutel om dat te doen, we zien effectief meer jongeren en ook meer vrouwen deelnemen.”
Wanneer zal het project ‘De Patrijzen’ voor jullie een geslaagd project zijn?
Prof. Maarten Larmuseau: “Wij zijn ervan overtuigd dat een burgerwetenschapsproject pas slaagt als zowel burgers als wetenschappers er iets van leren. De oproep voor het project loopt over zo’n 6 maanden, tot 30 juni om precies te zijn. We investeren voldoende tijd in de bekendmaking en engageren ook partners om mee te werken zoals Familiekunde Vlaanderen. We lanceren ook het gebruik van bronnen die weinig mensen kennen. Zo werkt het dus in de twee richtingen, het is steeds een win-win, voor de deelnemers, voor onze partners en voor ons.”
Finaal zal het project leiden tot wetenschappelijke publicaties?
Prof. Maarten Larmuseau: “We streven uiteraard in de eerste plaats naar wetenschappelijke toppublicaties want vergis je niet, in ons domein zijn we wereldwijd pioniers. Met ons interdisciplinair onderzoek proberen we antwoorden te formuleren op vragen uit de populatiegenetica, de antropologie, geschiedenis en forensische wetenschappen. Dat heeft als gevolg dat we met een team werken dat bestaat uit onderzoekers met complementaire profielen; een historicus, een geneticus, een biomedisch wetenschapper, vaak vaste collega’s met ervaring.”
Sterk in de schoenen
Kan je stellen dat de sleutel tot succes in de voorbereiding ligt?
Prof. Maarten Larmuseau: “Burgerwetenschap organiseren is tijdsintensief, je staat er bij wijze van spreken mee op en je gaat er mee slapen. Het omhelst weekendwerk en avondwerk, wij geven lezingen in heel Vlaanderen, we zijn steeds beschikbaar. Cruciaal in het hele proces is vooral de voorbereiding, waarbij alle mogelijke scenario’s de revue passeren, wij zijn zeker niet te beroerd om daar samen met een doctoraatstudent meer dan een jaar voor uit te trekken. Dit project is bijvoorbeeld vrij complex, het gaat niet enkel om het verzamelen van data. Het is een stap verder, we vragen de deelnemers om zelf onderzoek te doen, om archieven te raadplegen, om gevoelige data te delen. Dan moet je sterk in de schoenen staan, ons project kreeg vooraf de goedkeuring van een ethische commissie, we zorgen ervoor dat onze data geen bias bevatten en dat ze relevant zijn voor een wetenschappelijke context."
Publicatie in Science
Als pionier blijf je overtuigd van de kracht van citizen science?
Prof. Maarten Larmuseau: “In 2009, toen ik met burgerwetenschap begon, werd nog laatdunkend over het fenomeen gedaan. Nu hebben we effectief al verschillende malen bewezen dat citizen science kan bijdragen aan duurzaam wetenschappelijk onderzoek met publicaties in toonaangevende tijdschriften. Het speelt zich niet zomaar in de marge af, er vormen zich heuse communities die wetenschappelijke grenzen verleggen. Met een van de voorlopers van dit project, het MamaMito-onderzoek, wisten we bijvoorbeeld 7800 deelnemers te mobiliseren, een ongekend succes. Het project liep in 2020 over een periode van 6 maanden en nog steeds ontvang ik mails over het project. Dankzij het project ontstond een volledige community, na afloop, op een dag in november kwamen 400 personen langs om elkaar in real life te ontmoeten. Ook het toptijdschrift Science was er toen om dit fenomeen te verslaan, de kers op de taart!”
En toch blijft het belangrijk om voor elk nieuw project burgers te motiveren en te mobiliseren?
Prof. Maarten Larmuseau: “Absoluut, morgen (red.: op moment van interview) geef ik opnieuw een lezing over ‘De Patrijzen’ voor een organisatie van gepensioneerden, daar leer ik uit en kan ik weer mee verder. Bij heel wat ervaren leken zit zoveel relevante kennis waarvan ik, mits een goede wisselwerking, als academicus dankbaar gebruik kan maken voor mijn onderzoek maar ook om te wegen op het maatschappelijk debat. Het is een passie, hè.”
Interview en tekst: Hilde Devoghel (Tales and Talks)